![]() |
| foto Yengivision |
Vandaag een lang interview op Meander door Monique Wilmer-Leegwater. Zonder betaalmuur:
https://meandermagazine.nl/2026/08/interview-jolanda-kooijmans/
Fragment
Zijn er dingen die je alleen in poëzie kunt onderzoeken en niet in beeldende kunst, of juist andersom?
Ik ben niet zo’n onderzoeker hoor. Bij het gedicht Addertje heb ik ergens genoteerd: ‘Addertje is in de wereld. Ik loop maar gewoon met haar mee’. Ik
volg de impulsen die de tekst geven. Eerst was er dus lange tijd een
toestand van chaos, in mijn hoofd, in mijn hart en in mijn poëzie. Tot
vanzelf de noodzaak kwam om de boel wat te organiseren, een moment dat
ik eindeloos uitstelde. Maar toen ik er eenmaal aan begon, het opruimen
en ordenen, inrichten, was het juist een fijn proces. Betekenissen en
intenties van het werk kwamen aan de oppervlakte. Toen brak er weer een
periode van chaos uit, maar al meer ‘to the point’. Die dynamiek –
verwarring, organisatie, verwarring, organisatie – herhaalde zich tot de
chaos was gaan liggen.
Een groot deel van de reacties op Addertje gaat over
de verbeeldingskracht van de bundel. Waar komen die wonderlijke figuren
vandaan? Ontstaan ze bewust, of dienen ze zich eerder onverwacht aan
tijdens het schrijven?
Ze dienen zich aan. Ze ontstaan denk ik uit allerlei
observaties die zich ergens in mijn geheugen ophouden, observaties van
mensen (dieren, landschappen…), ook uit films en series, literatuur,
mythologie, poëzie, kunstwerken. Sommige observaties zijn al heel oud.
De figuren dienen zich aan als naam: Addertje, Bubblebeez, Constant de
Klos. Vanuit hun naam ontstaat een karakter. Namen zijn zo’n krachtige
woorden, altijd fascinerend vind ik hoe iemand heet, waar de naam
vandaan komt, doopnamen, bijnamen, koosnamen, er zit zo veel informatie
aan vast. De namen in mijn werk zijn vaak cartoonesk, theatraal, het
zijn uitvergrotingen.
