20 april 2026
WHO CAN THAT?
Vertaler en dichter Robbert-Jan Henkes is heel enthousiast over Addertje, de dichtbundel van Jolanda Kooijmans, die voor meerdere poëzieprijzen is genomineerd en op de shortlist staat van de Amarteprijs 2026. ‘Wat is dat voor zwarte madammenmagie? Who can that? Nou, Jolanda Kooijmans dus.’
(...)
Wijzen
Het deed me denken aan, het bracht me terug naar de Strabrechtse hei, zoals eerder het tweetalige (Dorsets en Engels) Orlam van PJ Harvey dat ook deed, al speelde dat verhaal zich af in haar geboortestreek: de stilte, de hitte, het levende van de natuur, de schaapskeutelsoep, het zand en de bunkers. De woorden van toen je vijf was. De rust onder de spanning en de spanning onder de rust.
En toen deed het me denken aan de kinderblik die Kine Brettschreider voortovert in Trekpoptt, een Ig die vraagtt en klomt en durftt en godbetertt onderweg is naar de Rielsedijk. Kom ik er dan nooit weg, uit zuidoostnoordbrabant? Ook Ig heeft, net als Zuuz in Addertje, een eigen orthografie, eentje die wil zeggen: vanaf dit punt slechts toegang voor kinderen, volwassenen verboden toegang in deze heksenkring.
En toen deed het me denken aan een andere eigenzinnige orthografe, Agnes de Graaf en haar Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen over bart die de appelpoes heeft opgegeten, het sgiltpatje en de nagtloopvogel – talloze gedichten moeten er van haar nog bij Van Oorschot liggen die olle Geert na dat eerste boek niet meer heeft willen uitgeven – schande aan hem.
En toen deed het me denken aan Het uur U van Martinus Nijhoff, maar daaraan doet alles me denken wat een kloppend en stralend geheel van langere adem is, in allerdwingendste maar losse en vrije mensentaal geschreven en dat ik ademloos lees, liefst nog als er hoe- of zogenaamd niets in gebeurt.
Strips
En toen deed het me denken, de vier verhalen in Addertje, door de intensiteit waarmee ik ze las en ook de manier waarop ze verteld worden, aan een ander fenomeen van toen ik klein was maar dat ik intussen bij lange na niet afgeschud heb of zelfs maar wil afschudden, maar waar ik integendeel nog dagelijks naar reik, namelijk strips. Ja, dacht ik, het lijken wel strips! De verhalen zijn doorgepoëtiseerde, uitgepoëtiseerde stripboeken! (En mijn hart sprong op.) Strips komen in Addertje ook lijfelijk voor, in de vorm van zes Suske en Wiske-albums (alle zes niet-allitererend) in het vierde en slotverhaal over Constant de Klos (ook een mooie stripnaam overigens, à la Olivier Blunder en Guust Flater) en in datzelfde verhaal ontmoeten we ook vissen, als de trein van Eindhoven naar Rotterdam met daarin de striplezende Constant (we krijgen ook te weten wat hij op diverse momenten leest) en in dezelfde coupé de Satan (een watersatan, met zuignappen), die in Breda (de Satan) luttele fracties van seconden – zo lang als de stok van de tambour-maître van de zich op het perron ophoudende Koninklijke Harmonie Sint Cecilia in de lucht blijft hangen – de trein, het station, de stad en de aarde verlaat, drie keer op zijn vingers fluit en vervolgens schielijks weer plaatsneemt maar nu aan de andere kant van het gangpad, recht tegenover Constant, in Constants persoonlijke ruimte, zich van de brug over het Hollands Diep in het Hollands Diep stort (de trein), het onderwaterse hellegat in dat zich daar achter een hermetische deur bevindt en dat met zijn interessante, barokke architectuur wel wat aan de stationshal van Antwerpen-Centraal doet denken, behalve dat er vissen op een houten plaatje gespijkerd aan de wanden hingen (netjes waterpas) met naambordjes erbij (steur, elft, diklipharder, donderpad), en die vissen (die nog een beetje leven) spreken Constant enigszins bozig toe, en dan staat er (bovenstaande staat ook allemaal soms woordelijk in Constant, maar is hier onvergeeflijk verkort weergegeven) dat ze dat deden met hun tekstballon – en inderdaad, als deze door de schrijfster gegeven clou ontkiemd en uitgebroed is en het kwartje (oude munteenheid t.w.v. 25 cent) gevallen, lijkt iedere bladzijde van deze verhalen inderdaad sterk te corresponderen met een plaatje in een stripboek (of een strookje soms), zo beeldend en spannend en doorlopend is het opgeschreven, en vooral geestig in de zin van grappig in de zin van dat je voortdurend glimlacht op momenten dat je niet hardop lacht.
(...)
Lees hier het hele prachtige stuk:
https://www.nederlandseboekengids.com/20260420-robbert-jan-henkes/

